Interview

Een kijkje achter de schermen

Eind 2007 werd ik benaderd door Sylvia Postma. Zij deed een opleiding aan het Phoenix instituut en voor haar eindwerkstuk had ze de opdracht gekregen om twee mensen die haar inspireerden te interviewen. Ze vroeg me of ik een van die twee mensen zou willen zijn. Het interview vond januari 2007 plaats. Ik had Sylvia gevraagd of ze mij de onbewerkte tekst wilde geven, zodat ik die voor de website kon aanpassen. Het leek me een goede gelegenheid om iets uit te leggen over de manier waarop ik mijn groepen begeleid, en te verduidelijken hoe ik me tijdens het werk tot de deelnemers verhoudt. Sylvia stuurde me de transcriptie van het interview, ik deed zelf de redactie. Ik schrapte hier en daar een vraag of antwoord, vatte sommige stukken samen of vulde de tekst juist wat aan, en zie hier het resultaat.

Sylvia: Vaak zijn er wel tachtig of honderd deelnemers in je groepen aanwezig. Hoe ben je zover gekomen dat je met zulke grote groepen mensen kan werken?

Daan: Ik ben niet direct gestart met grote groepen en zulk intensief proceswerk! Toen ik begon met de opstellingen had er ik al vijftien jaar ervaring met lesgeven in het onderwijs en het begeleiden van groepen opzitten. In de late jaren tachtig gaf ik trainingen sjamanisme aan kleine groepjes, daarna volgden jaargroepen die al wat groter waren. Toen ik de begon de systemische rituelen te ontwikkelen, begonnen de groepen langzaam te groeien, en dat gaat tot op de dag van vandaag door. Het is zoiets als fitness: de grenzen rekken langzaam op en je leert steeds meer te tillen. Het heeft veel voordelen dat ik leraar ben geweest, vooral in verband met het didactische aspect van het werk. Bijvoorbeeld, voor heel veel mensen werkt het zo dat het verstand eerst moet snappen wat er gebeurt voordat het hart zich kan openen. Het hoofd moet groen licht geven. Ik leg daarom steeds goed uit wat er gaat gebeuren voor we aan het werk gaan, dat brengt een onmiddellijke ontspanning in de groep.

Sylvia: Hoe bereik je diepgang in je groepen?

Daan: In de tijd dat ik leerde om familieopstellingen te begeleiden heb ik waarschijnlijk het meeste opgestoken van zelf representeren. In elke rol lette ik op wat het effect was van de vragen of zinnen van de begeleider: maakten die dat ik me opende of afsloot? Ik bleef ook steeds kijken naar de reacties van de andere deelnemers op de woorden en interventies van de begeleider. De begeleider van een opstelling opereert in een veld dat gevormd wordt door alle aanwezigen samen en als het goed is, is hij/zij een soort thermometer en tegelijkertijd ook een spreekbuis van dat veld. Zijn/haar reacties komen uit het veld voort. De concrete ervaring van de begeleider is persoonlijk, maar als je je focust op de laag waarin het persoonlijke een in feite deels voortkomt uit het geheel, krijg je via je zintuigelijke waarnemingen veel mee van wat er in het veld gebeurt. De begeleider kan het veld alleen dienen door zich ermee te verbinden, door in zekere zin in op te lossen in een groter geheel.

Sylvia: Wat versta jij onder het grotere geheel?

Daan: Het grotere geheel is, denk ik, niet echt te snappen, maar je kunt er wel iets van meekrijgen. Het is een paradox: als ik me met het veld om me heen wil verbinden dan richt ik me niet naar buiten maar naar binnen. Wat ervaar ik dan in mijzelf? Mijn innerlijke ruimte, die zich met behulp van meditatie, gebed en zang steeds meer ontsluit. Die innerlijke ruimte blijkt niet begrenst te zijn tot mijn fysieke lichaam. Door steeds verder naar binnen te keren, blijken de grenzen van mijn fysieke lichaam en persoonlijkheid uiteindelijk helemaal niet zo vastomlijnd te zijn, ze vervagen zelfs deels. De grenzen tussen mijzelf en de anderen worden minder scherp. Vanuit die heel concrete, kinesthetische ervaring opereer ik in mijn groepen. Ik laat veel momenten van stilte vallen: ik trommel een minuutje (wat voor mij een vorm van stilte en naar binnen keren is), ik noem de naam van diegene met wie ik wil werken en wacht dan even... ik ga steeds opnieuw weer terug naar de ervaring van mijn binnenruimte en ik nodig de hele groep deelnemers daar in uit. Mijn binnenruimte overlapt met het veld van de groep om me heen, mijn energetische lichaam neemt de groep als het ware in zich op. Het wordt letterlijk zo ruim, althans, zo ervaar ik het. Ik ben in mijn eigen fysieke lichaam gegrond, terwijl de innerlijke ruimte letterlijk de hele groep omsluit.

Sylvia: Vervuilt dit je eigen systeem niet?

Daan: Als ik mij moet beschermen tegen de deelnemers in mijn groepen dan kan ik vermoedelijk nooit iets voor ze betekenen. Dan zou ik steeds grenzen tussen hen en mijzelf nodig hebben, grenzen die me van hen afsluiten. Ik zou me moeten verdedigen tegen iets wat niet goed voor me zou zijn, alsof de anderen in de ruimte besmettelijk zijn. De beweging die ik maak is juist tegenovergesteld: ik open me, ik heet ze welkom en ik ontspan. Ik zoek daarbij niet naar informatie, ik dring nergens binnen, hoef niets specifieks over de deelnemers te weten en ik verdedig me nergens tegen. Ik hoef niemand te veranderen: ik schep ruimte voor de aanwezigheid van de anderen en ik verwelkom ze. Als je dit als begeleider doet, moet je wel eerst grondig met je eigen schaduwkanten hebben gewerkt, want het is natuurlijk ook waar dat er in de familiesystemen van al die deelnemers van alles is gebeurd: uitsluiting, verraad, verkrachting, misdaad, noem maar op. Maar: is dat slecht voor mij, moet ik me daartegen beschermen? Waartegen dan precies? Ik vermoed dat er alleen angst en weerstand tegen een specifieke deelnemer ontstaat als een begeleider’s eigen pijn en blinde vlekken geraakt worden. Als je je tegen je eigen angst of schaduw probeert te verzetten dan sluit je automatisch die deelnemers uit die jou reactiviteit getriggerd hebben. Je kan er dus niet onder uit om je huiswerk te doen, en dat ook te blijven doen, hoe ervaren je ook mag zijn als begeleider. Je moet een cliënt welkom kunnen heten, met alle geschiedenis uit zijn of haar systeem, anders blijft je werk beperkt. Deelnemers voelen en weten direct of ze werkelijk welkom worden geheten of niet. En als ze een echt welkom ervaren, verdwijnt de stress in een groep – dan openen mensen zich. Als een groep relatief stressvrij is dan kan je als begeleider heel wat deelnemers in een groep hebben. Als het werk erop zit, heb ik wel veel behoefte aan stilte en rust. Ik neem de telefoon niet op en maak ruimte voor mezelf. Ik besteed ook dan weer veel tijd aan de waarneming van mijn innerlijke ruimte, maar laat nu mezelf er als het ware weer in opborrelen. Ik doe alleen dingen die me goed doen: ik lees een mooi boek, kijk een startrek aflevering op DVD, ik ga een broodje eten met een krantje erbij, ga naar de sauna... Zo kom ik zelf weer duidelijker in beeld.

Sylvia: Hoe weet je, als je zo vanuit het hele veld werkt, of je nog wel echt met die ene cliënt en zijn/haar familiesysteem werkt?

Daan: Ik ga er niet vanuit dat ik alleen met die ene cliënt zou moeten werken. Integendeel! Zoals een vriendin en collega, Francesca Mason Boring, zegt: de groep is de cliënt. De cliënt is de groep. Ik werk in veel verschillende landen en culturen, en niet overal wordt aan de plek van het individu zoveel waarde gehecht als in de westerse wereld. Op allerlei plekken en binnen allerlei groepen is het ‘wij’ belangrijker dan het ‘ik’. Iemand kan dan bijvoorbeeld nooit openlijk vertellen over wat er allemaal verkeerd is gegaan binnen zijn/haar systeem van herkomst: je kan de vuile was niet buiten hangen want dan beschaam je je familieleden en voorouders. In die context moet je als begeleider een groep echt anders benaderen, dat vraagt om een andere oriëntatie en andere werkvormen. Meer denken vanuit het ‘wij’ en minder vanuit het ‘ik’. Zo vraag ik deelnemers vaak om me van te voren een brief te schrijven en daarin hun verhaal te doen – de deelnemers krijgen dan van te voren instructies hoe ze dat het beste kunnen doen, welke informatie ik nodig heb. Ze weten dat ik alle brieven lees, en dat ik met elke brief bidt. Zo wordt de persoonlijke en potentieel gevoelige informatie vertrouwelijk behandeld. Ik richt me vervolgens in de meeste gevallen op de archaïsche onderliggende structuur van het verhaal van een cliënt in plaats van op de specifieke details. Meestal is een bepaald familieverhaal in feite een variatie op een meer algemeen patroon, een structuur die in zijn niet-specifieke vorm voor iedereen herkenbaar is. Een cliënt wil bijvoorbeeld een opstelling doen omdat haar grootmoeder vijf kinderen verloren heeft. Ik kan vragen naar de details, en dan krijg ik misschien te horen dat een van de kinderen na ziekte gestorven is, twee te vroeg geboren waren, eentje ooit vermist is geraakt en dood verklaard is en de laatste is verhongerd. Wat moet ik met die informatie doen? Het kind dat vermist is geraakt, is misschien helemaal niet gestorven! Het kind dat verhongerd is, roept allerlei vragen op: bijvoorbeeld of er iemand schuld heeft gehad door nalatigheid. Er onstaat dan al snel een hiërarchie, de verschillende soorten sterfgevallen behoren tot verschillende ordes en ik zou het ene verhaal meer belang kunnen toehechten dan het andere. Maar is dat nodig? En hoe weet ik wat werkelijk van belang is geweest voor die moeder die haar kinderen verloren heeft? Ik richt me dan ook meestal niet op die verschillende verhalen, maar werk met het archaïsche beeld van een moeder die veel te veel verloren heeft en haar hart niet open kon houden voor haar man en voor de kinderen die overleefd hebben. Als ik me op dat simpele en essentiële feit richt dan zou ik bijvoorbeeld een cirkel kunnen maken van alle kinderen en hun vader, zowel de kinderen die gestorven zijn als die in leven gebleven zijn krijgen er een plek in. Ik zou de moeder van de kinderen in het centrum van de cirkel plaatsen, omringd door vijftien of twintig vrouwen. En ik zou de representant van de moeder die vijf kinderen verloren heeft tegen die cirkel van vrouwen laten zeggen: “Elk van jullie is een stukje van mijn hart. Ik heb het zelf niet bij elkaar kunnen houden en heb me van mijn hart afgesloten, maar elk van jullie is een deel van mijn hart dat intact is en dat voelt.” En dan zou ze elke vrouw, elk stuk van haar hart, individueel de opdracht kunnen geven: “Ga daarheen waar jij thuishoort.” Dan zou je zien dat al die vrouwen naar een van de kinderen of naar de vader getrokken worden, en uiteindelijk wordt elk kind omarmd door (een stuk van) het hart van zijn/haar moeder. Waarschijnlijk blijven er ook een of twee vrouwen bij de moeder zelf. Zo’n systemisch ritueel raakt, in zijn eenvoud, direct aan alle onverwerkte rouw in het systeem. Veel representanten zullen door een diep proces gaan, en na alle tranen ontstaat er een rust en integratie. Iedereen in de groep is deel van dit ritueel, of ze nu in een rol staan of op hun stoel zitten. Iedereen weet wat het is om je hart af te sluiten als de pijn te groot is, iedereen wat liefde en verlangen is als je iemand verloren hebt. Je werkt zo met een archaïsche, bijna mythische laag van het verhaal waarmee iedereen zich kan identificeren, en waardoor er dingen tot rust komen in de familiesystemen van alle aanwezigen. Ik zoek niet naar bestaande mythen maar kijk gewoon naar de onderliggende structuur, de essentie van het verhaal.
Het gebed verbindt de mensen, de klanken van de trommel en de gebedsmelodieen creëren een opening die dit alles nog meer versterkt. Dit is systemisch ritueel, gebaseerd op ‘wij’, niet op ‘mij’.

Sylvia: Ervaar je weleens een bepaalde weerstand van deelnemers in je seminars als je dit soort opstellingen doet? Bidden, zingen...

Daan: Daar heb ik me eerlijk gezegd nooit mee bezig gehouden. Als het mensen niet bevalt dan zijn ze vrij om te vertrekken. Er zijn echter maar heel weinig mensen die een seminar voortijdig verlaten hebben. Vergeet niet dat het bekend is dat ik een spirituele en rituele vorm van opstellingswerk gebruik. Deelnemers hebben bijvoorbeeld eerst al een boek van mij gelezen. Of een familielid, vriend of vriendin heeft ze aangeraden om te komen omdat die er zelf iets aan hebben gehad... Tot op zekere hoogte weten mensen wat ze kunnen verwachten.

Sylvia: Hoe ga je er mee om als er veel in de groep gebeurt en als mensen op allerlei manieren geraakt worden?

Daan: Ik zing heel veel tijdens het werk. Ik bid. Het woordloze lied is voor mij een weg naar binnen en helpt me om me in de innerlijke stilte te verankeren. Vanuit dat centrum van rust maak ik contact met de mensen en met de groep als geheel. Als mensen geraakt zijn door iets wat er is gebeurd, dan is het enige wat ik doe is ze mee naar binnen te nemen. Ik droog hun tranen niet voor ze, maar ik keer me naar binnen en maak plaats voor die tranen, in mezelf. De begeleider heeft de taak om steeds weer opnieuw de rust te vinden, de aarding, en zich te verbinden met de bron waaruit heelwording ontstaat. Ik maak plaats voor dat wat er is, in het vertrouwen dat zich iets goeds zal ontvouwen. Steeds weer keer ik terug naar de ervaring deel te zijn van het veld. Ik laat me vervolgens leiden door de vraag waar ik moet zijn, waar een impuls nodig is die de heelwording dient. En als ik een heldere impuls krijg, dan volg ik die. Het is intuïtief, maar de intuïtie is versmolten met mijn logisch denken en mijn ervaringen met inmiddels duizenden eerdere opstellingen en rituelen.

Sylvia: Heb je weleens zoveel impulsen dat je de weg niet meer weet?

Daan: Soms snap ik het niet. Dan zeg ik tegen de groep: “Op dit moment begrijp ik niet wat er gaande is.” Die waarheid is hoe dan ook al merkbaar in de ruimte, iedereen heeft dat dan al lang gevoeld. Door dat te erkennen ontstaat er in de groep ontspanning. De waarheid is dan dat het even niet helder is, en dat verwelkom ik weer. En vanuit die ontspanning dient zich dan altijd weer een volgende stap aan. Al kan dat soms eventjes duren.

Sylvia: Heb je een doel als je een opstelling begeleidt?

Daan: Waarom gaat iemand naar de dokter? Niet zozeer om een diagnose te krijgen maar vooral om van haar/zijn klachten af te komen! Waarom komt iemand naar een groep? Mensen betalen ervoor, ze maken er tijd voor vrij, ze openen zich voor me in het vertrouwen dat ik mijn best voor ze zal doen. De mensen komen met een hulpvraag en dan heb ik als begeleider van het proces de verplichting om mijn best te doen en waar mogelijk aan hun heelwording bij te dragen. Zorgen dat mensen zich welkom voelen is daarbij de eerste stap. De tweede stap is de deelnemers altijd met respect tegemoet te treden. Er zijn opstellers die houden van confrontatie, maar dat is niet mijn stijl. Zo vind ik dat je een opstelling niet kunt beëindigen met de woorden ‘hier kan ik niets doen.’ Hoe moet een deelnemer daarna naar huis, als de begeleider heeft aangegeven niet opgewassen te zijn tegen de problemathiek? Dat is een stigmatiserende ervaring. Als er in mijn groepen tijdens een opstellingsritueel een situatie ontstaat waarbij ik er niets van begrijp of als ik niets weet te doen, dan heb ik nog altijd heel wat opties. Ik kan dan bijvoorbeeld een kring van voorouders om de opstelling plaatsen en de voorouders vragen of ze hun kracht met de andere representanten willen delen. Of ik kan naast elke representant een lotgenoot plaatsen, die vervolgens zegt: ‘Ik begrijp precies wat jij doorstaat en jij staat niet alleen. Ik sta naast je.’ Ook al is het probleem daarmee misschien niet opgelost, de cliënt komt met meer kracht en evenwicht uit de opstelling.

Sylvia: In het sjamanisme, een van de pijlers van je werk, is het contact met hulpgeesten heel belangrijk. Heb jij tijdens de opstellingen expliciet contact met geesten?

Daan: Ik gebruik steeds minder klassiek sjamanistische technieken en focus me in plaats daarvan steeds meer op de ervaring van mijn eigen innerlijke ruimte. Tijdens het begeleiden is er wel steeds een gebed gaande waarin ik bijvoorbeeld voorouders en krachtbronnen vraag om aanwezig te zijn om de mensen te steunen. Ik stel soms, terwijl ik mijn ogen sluit, de vraag wat de juiste stap is of welke interventie nodig is. Er kunnen dan belden opkomen die me helpen om het proces te begeleiden, maar ik onderzoek dan niet uit welke bron die beelden voortkomen. Ik laat dan vrij of het antwoord uit mijn logisch denken komt, of het op een inzicht of herinnering gebasserd is, of het voortvloeit uit mijn expertise als leraar begeleider, of dat het uit mijn intuïtie of van een voorouder komt... Alles is mogelijk.

Sylvia: ik heb de indruk dat jij geen familieverstrikkingen meeneemt als begeleider in de opstelling. Klopt dat?

Daan: Nee! Als iemand een familieverhaal heeft dat mijn eigen familieverhaal raakt dan moet ik voorzichtig zijn. Er moet een heldere grens bestaan tussen de geschiedenis van de cliënt en de mijne, want als ik met het verhaal van een deelnemer geïdentificeerd ben dan kan ik alleen mijzelf nog maar waarnemen, niet de ander. De vraag die ik me steeds stel is: ben ik vrij genoeg (van identificaties) om die persoon te dienen? Als ik mijn motivatie om met iemand te werken niet vertrouw dan moet ik wachten tot het moment ik de helderheid heb terug gewonnen. Als begeleider moet je, denk ik, heel goed in de gaten houden hoe je op deelnemers reageert, wat je van ze wilt of wat je denkt dat ze van je nodig hebben. Als je heel erg graag met een bepaalde persoon wil werken, is het tijd om jezelf de vraag te stellen waarom dat zo is. Als ik me nauw met een bepaalde deelnemer verwant ga voelen dan ben ik waarschijnlijk met hem/haar geïdentificeerd geraakt. En dat is dan meestal het resultaat van een onopgeloste verstrikking uit mijn eigen familiesysteem. Ik werk alleen met een deelnemer als ik me helder voel over mijn relatie met hem/haar. Dit sluit het onconditionele verwelkomen van de deelnemers dat ik eerder noemde niet uit, dit gaat over een heel andere laag. Dit gaat over noodzakelijk bewustzijn van overdracht en tegenoverdracht, en van mijn eigen onopgeloste zaken en verstrikkingen uit mijn eigen systeem.

Sylvia: Hoe maak jij onderscheid tussen openen voor de ander en identificatie met de ander?

Daan: Je hebt natuurlijk allereerst vakkennis. Daarnaast ken ik mijn eigen geschiedenis inmiddels wel zo’n beetje. Ik weet uit ervaring met welke verhalen of thema’s ik me snel identificeer. Dat helpt. Daarnaast let ik op: vergroot of verkleint mijn innerlijke ruimte zich? Ik heb gemerkt dat een vergroting van de ruimte goed is als die tenminste met een groeiend gevoel van kalmte gepaard gaat. Die rustige expansie van de binnenruimte brengt me meer de aarde in, in mijn lichaam. Hoe meer ik mijn lichaam in alle rust kan ervaren, hoe meer ik aanwezig ben en hoe minder ik geïdentificeerd ben met de verhalen van anderen. Als mijn binnenruimte kleiner wordt en er onrust onstaat, als ik plannen ga maken of als er overtuigingen tevoorschijn komen dan ben ik reactief, dan ben ik in de identificatie terecht gekomen.

Sylvia: Wie zijn jouw leraren of begeleiders?

Daan: Binnen de opstellingenwereld heb ik niet echt leraren, maar ik heb wel regelmatig een collegiale uitwisseling met diverse mensen in het veld. Ik heb in vroegere jaren veel geleerd van twee Native American leraren. Een van hen is nu overleden, met de ander heb ik geen contact meer. Bert Hellinger was een aantal jaren geleden een belangrijke inspiratiebron. Ik heb een rabbijn, reb Zalman Schachter-Shalomi, maar hij woont in de VS en ik kan hem helaas maar zelden zien. Ik zorg ervoor dat ik een plek heb waar ik echt student kan zijn: ik ben student aan de ridhwan school die is opgericht door Hameed Ali. Hameed is beter bekend onder zijn schrijversnaam Almaas. In de ridhwan school hebben aspecten van Soefisme, ontwikkelingspsychologie en meditatie een plek, en er wordt een vorm van zelfonderzoek gedaan die inquiry genoemd wordt. Elk jaar ga ik meerdere keren een week op retreat en krijg dan begeleiding van mijn vaste leraren. Ik gebruik de ridhwan methodes niet in mijn werk, maar voor mijn eigen proces en persoonlijke groei zijn ze essentieel.

Sylvia: Dank je voor het betanwoorden van mijn vragen.

Daan: Dank voor het stellen ervan!