Sjamanisme

De oorspronkelijke bevolking van Siberië bestond uit nomadische
herders- en jagersvolken. Wanneer problemen en ziekte de kop opstaken en bij geboorte en sterfgevallen werd er een beroep gedaan op de
sjamaan: een man of vrouw die uit naam van de gemeenschap contact konden maken met de wereld van de geesten. Elke sjamaan had eigen hulpgeesten die hem/haar hulp boden bij het genezende werk, bij het oplossen van vraagstukken en bij het begeleiden van de doden op hun laatste reis.
De Siberische volken en culturen kenden elk hun eigen gebruiken, mythologie en wereldbeeld en er bestond dan ook behoorlijk wat onderscheid tussen de verschillende sjamanen. Toch waren er tussen hen zoveel overeenkomsten dat we van 'Siberisch sjamanisme' kunnen spreken.

Kenmerkend voor Siberisch sjamanisme was dat het overgrote deel van de sjamanen zich kleedde in speciale kostuums waarop de hulpgeesten waren afgebeeld. Bij sommige volken, bijvoorbeeld de Yakut of Sakha, hingen de sjamanen soms tot wel tweehonderd gesmede ijzeren figuren en hangers aan hun leren jassen. Bij andere volken zoals de Soyot en Tofalar werden er vooral lange geborduurde slangen en stroken textiel aan een sjamaankostuum gehangen. Ook waren er groepen als de Evenki, Dolgan en Altai die zowel veel ijzer als textiel gebruikten. Hoe het kostuum er ook precies uitzag, het kon met gemak meer dan tien kilo wegen, er waren zelfs kostuums bekend die rond de veertig kilo wogen.
Naast een speciaal kostuum gebruikten de Siberische sjamanen grote platte trommels. Er waren enkele volken zoals de Nanai en Udhege waar de sjamanen maar heel simpele kostuums droegen, maar ook zij gebruikten de trommel. De sjamaan sloeg een monotoon ritme terwijl hij of zij lange liederen zong die soms werden geïmproviseerd. In deze liederen imiteerde de sjamaan vaak dierengeluiden, en tijdens het zingen nodigde de sjamaan zijn/haar hulpgeesten uit om naderbij te komen en zich over de zieken te ontfermen.
|
|
|
Door het gewicht van de trommel en het dansen in een zwaar kostuum raakte de sjamaan snel vermoeid. Die vermoeidheid hielp de trance op te roepen en te verdiepen. Als de sjamaan eenmaal in trance was en zijn/haar helpers om zich had verzameld, kon het eigenlijke werk beginnen: de communicatie met de geesten die ziekte en ongeluk veroorzaakten om zo tot een oplossing te komen of genezing te bewerkstelligen.
Siberisch sjamanisme kwam ook voor in de streken die aan zuidelijk Siberië grenzen. In de noordelijke streken van China leven enkele semi-nomadische groepen zoals de Evenki, die nauwe verwanten zijn van hun Siberische buren. In het uiterste noorden van Japan leven de sjamanistische Ainu. In Mongolië kenden o.a. de Buryat en Darkhat sjamanen: Mongolië is een overgangsgebied waarin zowel (Siberisch) sjamanisme, (Tibetaans) boeddhisme en mengvormen van beide werden beoefend.
Van het klassieke Siberische sjamanisme is nog slechts heel weinig bewaard gebleven. Na de Russische revolutie van 1917 werd er een campagne gestart om de oorspronkelijke bevolkingsgroepen van Siberië te ontmoedigen hun sjamanen nog langer te raadplegen. Dit ontmoedigingsbeleid werd na de jaren dertig van de twintigste eeuw onder Stalin omgezet in vervolging en uitroeiing van de weinige nog praktizerende sjamanen, velen werden in de concentratiekampen van de Goelag opgesloten of ze werden direct vermoord. Tegenwoordig zijn er nog slechts heel weinig sjamanen werkzaam die nog rechtstreeks met de oude traditie verbonden zijn. Van het oude Siberische sjamanisme rest feitelijk nog slechts een klein aantal kostuums en trommels in de musea en privé-collecties, en wat tekeningen, foto’s en beschrijvingen in oude antropologische literatuur.
Na de val van het communisme beginnen mensen in Siberië zich opnieuw tot het sjamanisme te wenden. Er bestaan bijvoorbeeld diverse folkloristische zang- en dansgezelschappen die sjamanenliederen ten gehore brengen en daarbij op de traditie gebaseerde sjamanenkostuums dragen. Ook zijn er mensen die het werk van de sjamaan weer hebben opgepakt, maar het meeste van wat er op dat gebied gebeurt moet als een reconstructie worden beschouwd en kan niet als rechtstreekse continuering van de oude tradities worden gezien.
In het westen raakte de Siberische sjamaan in de vroege achttiende eeuw bekend toen de eerste reisverslagen over Siberië werden gepubliceerd.
Gedurende lange tijd bleef kennis van het sjamanisme beperkt tot de academische wereld, maar sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw wordt het sjamanisme langzaam maar zeker populair als een spiritueel pad. Michael Harner ontwikkelde in de jaren zeventig als eerste een methode voor westerlingen die mogelijk maakt om met de grondbeginselen van de sjamanistische trance vertrouwd te raken. Inmiddels heeft het westerse sjamanisme zich enorm ontwikkeld en heeft het vele gezichten gekregen. Er zijn maar heel weinig westerse adepten die zich in sjamanenkostuums kleden, maar het gebruik van de trommel om trance op te roepen is gemeengoed geworden. Westerse sjamanisme beoefenaars reizen op de klank van de trommel naar en door de andere wereld; de wereld van de ziel, de voorouders en de hulpgeesten. Ook zijn er in het westerse sjamanisme sterke invloeden van de Noord-Amerikaanse Indianen te vinden, zo is bijvoorbeeld het wiel van de vier richtingen bekend geworden en nemen vele westerlingen deel aan zweethutceremonies.
Inmiddels zoeken verschillende westerlingen naar de sjamanistische elementen in de voor-christelijke geschiedenis, en baseren daar weer nieuwe gebruiken en methodes op. Al is het sjamanisme is nooit echt helemaal verdwenen, het is weer terug van weggeweest, zij het in een nieuw jasje.


